Het systeem bestrijden waar je zelf onderdeel van uitmaakt.

Terwijl ik vanmorgen mijn laptop pak om te werken aan een adviesrapport over de transformatie van het sociaal domein dwalen mijn gedachten af naar mijn eerste echte baan. Ik werd jeugdhulpverlener in Amsterdam Zuidoost. Het stadsdeel waar ik was opgegroeid. Een stadsdeel dat mij veel had gegeven. Ik wilde iets terugdoen voor de gezinnen en jeugdigen die helaas niet net als ik alle kansen hadden gekregen iets moois van hun leven te maken. In mijn werk als jeugdhulpverlener had ik als taak om jongeren die met de politie of justitie in aanraking waren gekomen weer op het recht pad te brengen. Vaak in vrijwillig kader, zonder een stok achter de deur. Veelal ging het om jongeren die overal waren uitgekotst. Ze waren nergens welkom. Thuis niet, op school niet en op de arbeidsmarkt niet. Het enige wat ze hadden was de straat. En hun ‘slechte’ vriendjes. En toch was mijn opdracht: terug naar school, een bijbaantje en een hobby. En vooral uit handen blijven van politie en justitie.

Ik moest vanmorgen denken aan een van mijn eerste jongere die ik mocht begeleiden. Een lieve jongen was het. Type ruwe bol blanke pit. Maar totaal verknipt door de verwaarlozing die hij gedurende zijn opvoeding had ondervonden. Een moeder die verslaafd was, fysiek en emotioneel mishandeld door gewelddadige drugdsdealende partners, werkloos, schulden, diverse kinderen van diverse mannen. Mijn cliënt en zijn broertjes en zusjes groeiden op in een wereld waarin het normaal was dat een pistool,drank en cocaïne op tafel lagen.

Gedurende mijn begeleiding pleegde hij een moord. Voor en na de moord bleef hij bij mij komen. Hij vertelde mij niets. Wat voelde ik mij verraden. En mislukt dat ik niets doorhad. Dat ik het niet kon voorkomen. Op een gegeven moment kreeg ik een telefoontje van een begeleider van de jeugdgevangenis waar hij zat. Vol ongeloof en met tranen in mijn ogen zocht ik hem op. Ik kwam die jeugdgevangenis binnen en het eerste wat mij opviel was dat het overwegend allemaal jongens waren. Voornamelijk jongeren met een niet-westerse achtergrond. De jeugdgevangenis was zwart om het maar zo te zeggen. Ik was in shock. Voor het eerst zag ik Nederland op een manier als nooit tevoren.

Hij was mijn moeilijkste jongere ooit. Zijn thuissituatie was het moeilijkste wat ik ooit had meegemaakt. Hoe graag had ik moeder willen helpen met haar verslaving, schulden en psychosociale problematiek. Maar ik kon niks. Geen geld, geen tijd, geen mandaat, geen doorzettingsmacht en ook geen expertise.

Er was alleen een traject voor het kind beschikbaar. Ik herinner me de verwoede pogingen die ik heb gedaan om met haar te praten, haar te overtuigen hulp te zoeken, ik heb middagen met haar kranten doorgespit, op zoek naar een baantje, brieven geschreven, telefoontjes gepleegd. Het mocht allemaal niet baten.

Hij was de reden waarom ik stopte met het hulpverlenen. Ik zag aan alle kanten dat het beleid niet deugde en dat er iets moest veranderen. Jeugdbeleid moest voortaan integraal beleid worden. Gericht op het systeem (gezin en sociale netwerken) van een jeugdige. Gericht op samenwerking tussen de diverse disciplines. En de politiek moest gaan sturen op samenhang, preventie en samenwerking. Vanuit de politiek heb ik hier destijds geprobeerd een bijdrage te leveren voorstellen in de Amsterdamse gemeenteraad.

Twintig jaar later is heel Nederland overtuigd dat dit een must is, hebben we een nieuwe jeugdwet, nieuwe wet op maatschappelijke ondersteuning en participatie, hebben we de transities achter de rug en zijn gemeenten verantwoordelijk. We hebben jeugdteams die op wijk niveau werken, toegankelijk zijn en makkelijk vindbaar voor inwoners met problemen en vragen. We bouwen opvangcapaciteit aan de achterkant van het stelsel af en brengen de hulp naar mensen toe. Extramuraal en preventief.

Maar ik besef ook dat dit proces moeizaam gaat. Twintig jaar later adviseer ik nog steeds ambtenaren en bestuurders hoe ze dat moeten doen. Inmiddels ben ik er van overtuigd dat wat we ook doen, wat voor wetten en beleid we ook maken: de sleutel tot succes is het vermogen om de kinderen, de gezinnen, de mensen waarvoor wij het doen, centraal te stellen. De mensen voor wie wij smorgens vroeg ons bed uit komen. Dus niet het systeem die wij bedacht hebben. We moeten dus ook in staat zijn om het systeem hierop te corrigeren. En te bestrijden. Systemen zijn namelijk net als mensen. Gericht op zelfbehoud en expansie. Ook al zijn ze het doel waartoe ze ooit waren opgericht uit het oog verloren. Hoe vaak kom ik in jaarverslagen van hulpverleningsinstellingen niet tegen dat ze geld moeten verdienen. Omzet moeten draaien? Targets moeten halen? Te vaak! Allemaal nodig en randvoorwaardekijk maar de enige opdracht is inwoners ondersteunen en in hun kracht zetten zodat je zelf als instelling zoveel mogelijk overbodig wordt.  En dat is lastig. Een systeem bestrijden waar je zelf onderdeel van bent. Dat vergt lef en doorzettingsvermogen. Mijn werk is leuk maar soms dus ook frustrerend.

Toentertijd was ik teleurgesteld. In mijzelf en in het systeem. Ik kwam tot de realisatie dat ik geen hulpverlener was. Ik had het vermogen niet om te roeien met de riemen die ik toen had noch het vermogen om mislukte begeleidingstrajecten te relativeren zoals mijn collega’s. Ik trok het mij aan en vond dat het mijn schuld was dat hij die moord had begaan. Een paar jaar geleden kwam ik moeder tegen in de Kalverstraat. Ze herkende mij. Ze zei dat ze heel trots op mij was. En dankbaar voor alle aandacht toentertijd. Haar zoon was inmiddels een volwassen man geworden met een baan, een huis, een liefje en een kindje. Een bijzonder gezin. Soms kom je mensen tegen in jouw leven die een zaadje planten voor de rest van jouw toekomst. Ik durf te zeggen dat dit gezin bij mij een zaadje heeft geplant. Zij zijn de reden waarom ik nu doe wat ik doe. Ik ben hen dankbaar.

Blog at WordPress.com.

Up ↑

<span>%d</span> bloggers like this: